Het schilderij van Edvard Weie

Gedragen: ervaringen rondom de Utrechtse meditatiegroep

Boven mijn tafel hangt een replica van het kleurrijke, enorme schilderij van de Deense kunstenaar Edvard Weie. Een man draagt met een zekere vastberadenheid een vrouw naar de einder die zich daar van harte aan overgeeft. Het origineel hangt in het Kopenhaagse SMK, Statens Museum for Kunst. 

 

Ik zat in een van mijn moeilijkste periodes en heb drie kwartier voor dat werk zitten huilen. Te huilen om de vrouw die zich niet meer gedragen voelde, sinds het overlijden van haar man, en de relaties daarna die maar niet lukten. Wat wilde ik ook zo gedragen worden, maar het voelde of de bodem weg was. Ik was alleen.

 

Een reis begon waarin ik leerde dat er altijd een bodem is, zonder nog te weten wie of wat dat is. Je zakt er namelijk niet doorheen, al denk je dat. Je wordt de volgende ochtend gewoon weer wakker en bent er nog. Soms was dat mijn enige zekerheid die dag, maar het bleek het startpunt om vertrouwen in het leven op te bouwen, vooral in mijzelf. Nu, twee jaar later, als ik naar dat schilderij kijk, besef ik dat ik ook de man kan zijn die mijzelf kan dragen.

 

Maar ik leerde nog iets anders. Jezelf dragen blijkt relatief makkelijk. Het is de meest veilige, onafhankelijke weg. Het blijkt alleen niet realistisch, je hebt anderen nodig. Veel moeilijker was te leren soms iemand te vragen mij te dragen. Toegeven dat je het niet alleen kunt, vragen of je even mag leunen, het even niet hoeft te weten. En onder dat alles een God te voelen die je nooit laat vallen, want mensen blijven immers mensen. Ik leer daarin veel van Brené Brown dat kracht zich juist in kwetsbaarheid toont.

Christelijke meditatie, naar het gedachtengoed van de benedictijner monnik John Main, helpt me daarbij. Je mediteert bij elke ademhaling op een gebedswoord waarnaar je terugkeert als gedachten je afleiden en dat je terugbrengt bij je innerlijke kern, waar ook God is. Mijn gebedswoord is ‘amen’, het zij zo. Voor mij betekent het mogen zijn zoals ik ben. Zonder oordeel, met mildheid en compassie kijken, zoals God mij ziet. En zo laat ik mij tweemaal daags twintig minuten achterovervallen in de oerbron. Vergelijk het met in een groot warm bad dobberen, op je rug, de armen wijd.

 

Het heeft me na een jaar zo verrijkt, dat ik met anderen een meditatiegroep in Utrecht ben gestart. We doen niks anders dan gewoon zijn, bij jezelf, en daarmee bij God. Thuiskomen. Niet als man of vrouw, maar als heel mens.

o o o o o



Door Pauline Weseman 
(deze bijdrage verscheen eerder in ‘De Oud-Katholiek’)